ECLI:NL:CRVB:2018:3174
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen bankrekening zonder verwijtbaarheid
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand tot 1 september 2014. Uit een vermogenssignaal van de Belastingdienst bleek dat appellant in 2012 beschikte over twee bankrekeningen die niet bij het college bekend waren. De sociale recherche stelde een onderzoek in waaruit bleek dat op een spaarrekening een saldo van ruim €32.500 stond met diverse stortingen en opnames, waaronder een opname van minstens €40.000 in contanten vlak voor opheffing van de rekening.
Het college trok de bijstand over de periode juni 2012 tot augustus 2014 in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van deze spaarrekening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij door zijn traumatisch oorlogsverleden beperkt was in zijn functioneren en niet bewust de inlichtingenverplichting had geschonden, en dat hij niet over het tegoed kon beschikken.
De Raad oordeelde dat verwijtbaarheid niet relevant is bij de objectieve inlichtingenverplichting en dat het feit dat de bankrekening op naam van appellant stond de veronderstelling rechtvaardigt dat hij over het tegoed kon beschikken. Appellant slaagde er niet in dit te weerleggen. Ook waren zijn verklaringen over de herkomst en besteding van het geld onvoldoende onderbouwd. Gezien de onduidelijkheid over zijn financiële situatie kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, waardoor de intrekking terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering wegens het niet melden van een spaarrekening wordt bevestigd zonder dat verwijtbaarheid een rol speelt.