ECLI:NL:CRVB:2018:3192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op Ziektewet-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, voormalig woonbegeleider, meldde zich ziek wegens lichamelijke en psychische klachten en ontving aanvankelijk een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat zij vanaf 15 februari 2016 geschikt was voor haar laatst verrichte arbeid en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen door het UWV en de rechtbank Den Haag.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij door haar beperkingen niet in staat was haar werk te verrichten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, waarbij alle klachten en medische gegevens waren betrokken. De verzekeringsarts concludeerde dat de klachten niet als ziekte of gebrek in de zin van de Ziektewet konden worden aangemerkt.
De Raad stelde vast dat appellante met ingang van 15 februari 2016 in staat was haar maatgevende arbeid bij een soortgelijke werkgever te verrichten. Nieuwe ingediende stukken bevatten geen relevante feiten die tot een ander oordeel leiden. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op Ziektewet-uitkering vanaf 15 februari 2016.