ECLI:NL:CRVB:2018:3211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op ziekengeld na eerste ziektejaar en passendheid resterende functies
Appellant, voormalig steigerbouwer, meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde het Uwv vast dat appellant met beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) nog 98% van zijn maatmaninkomen kon verdienen, waarna het ziekengeld werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen.
In hoger beroep bracht appellant nieuwe medische en arbeidskundige rapporten in. Het Uwv stelde daarop een nieuwe FML op met een extra beperking voor het halen van deadlines. Eén functie werd als niet passend beoordeeld, maar dit veranderde het arbeidsongeschiktheidspercentage niet. De Raad toetste het medisch oordeel en de passendheid van functies.
De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en achtte de resterende functies passend. Er was geen reden voor een urenbeperking. Het bestreden besluit ontbrak een deugdelijke motivering, maar dit werd gepasseerd omdat het besluit inhoudelijk juist was en appellant niet benadeeld werd.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellant voor rechtsbijstand en deskundigenkosten. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd; Uwv wordt veroordeeld in proceskosten.