ECLI:NL:CRVB:2018:3215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering en vaststelling aflossingscapaciteit ondanks bezwaar
Appellante ontving tussen 27 februari 2012 en 26 juli 2015 een WW-uitkering die later wegens schending van de inlichtingenplicht door het UWV werd herzien en teruggevorderd. Dit leidde tot een totale vordering van €77.495,80, die in rechte onaantastbaar werd verklaard.
Het UWV stelde bij besluit van 18 mei 2016 de aflossingscapaciteit van appellante vast op €1.483,94 per maand, verminderd tot €1.169,94 rekening houdend met een preferente schuldeiser. Appellante maakte bezwaar tegen dit bedrag, stellende dat het te hoog was en dat het UWV geen rekening hield met andere schuldeisers, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het bedrag haar inkomen te zwaar belast en pleitte voor een lagere aflossing van €700 per maand. Het UWV bevestigde de eerdere berekening en wees op de mogelijkheid om bij gewijzigde financiële omstandigheden een verzoek tot aanpassing in te dienen.
De Raad oordeelde dat het UWV de aflossingscapaciteit correct had berekend volgens de wettelijke regels, inclusief een beslagvrije voet van 90% van de bijstandsnorm en een gemaximeerd bedrag aan woonlasten. Kosten voor auto en internet werden terecht niet meegenomen omdat deze binnen de beslagvrije voet vallen. De preferente status van de UWV-vordering rechtvaardigt het negeren van andere schuldeisers bij de berekening.
De Raad verwierp het beroep op redelijkheid en billijkheid omdat geen sprake was van een kennelijk onredelijk resultaat. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de aflossingscapaciteit terecht heeft vastgesteld en wijst het hoger beroep af.