ECLI:NL:CRVB:2018:3223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid
Appellant, laatst werkzaam als schoonmaakmedewerker, meldde zich ziek met neurologische, psychische en lichamelijke klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen en beëindigde de uitkering per 9 juni 2015. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit en voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn beperkingen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk, vernietigde het tweede besluit en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen. Het UWV herzag het besluit en handhaafde de beëindiging van de uitkering, onderbouwd met verzekeringsgeneeskundige rapporten die appellant geschikt achten voor zijn maatgevende arbeid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant voldoende zijn meegewogen. De medische informatie toont weliswaar beperkingen, maar deze zijn niet van dien aard dat appellant ongeschikt is voor zijn functie. De arbeidsdeskundige concludeert dat de belasting van de functie schoonmaker binnen de belastbaarheid van appellant valt.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering wordt beëindigd per 9 juni 2015 omdat appellant geschikt is voor zijn maatgevende arbeid.