ECLI:NL:CRVB:2018:3286
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van invaliditeitspensioen na afwijzing herziening wegens geen causaal verband met dienstverband
Appellant, een voormalig beroepsmilitair, ontving een militair invaliditeitspensioen naar aanleiding van een sportongeval in 1994, met een vastgesteld invaliditeitspercentage van 50% en een bijzondere invaliditeitsverhoging van 10% sinds 2002.
Appellant verzocht in 2007 om herbeoordeling van zijn invaliditeit wegens vermeende toename van cognitieve beperkingen, ondersteund door diverse medische rapportages. Na uitgebreid medisch onderzoek, waaronder neurologisch en neuropsychologisch onderzoek door meerdere deskundigen, concludeerde de medisch adviseur dat er geen overtuigend causaal verband bestaat tussen de toename van klachten en het dienstverband.
De staatssecretaris handhaafde het invaliditeitspercentage, wat door appellant werd aangevochten bij de rechtbank en vervolgens in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad benoemde een onafhankelijke neuroloog die het standpunt van de staatssecretaris onderschreef.
De Raad oordeelde dat het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend was en dat de vermeende toename van klachten niet kan worden toegeschreven aan het ongeval tijdens het dienstverband. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het invaliditeitspensioen wordt niet herzien.