ECLI:NL:CRVB:2018:3308
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van arbeidsongeschiktheidspercentage en belastbaarheid in WIA-uitkering
Appellante heeft haar werkzaamheden in 2005 gestaakt wegens verminderde belastbaarheid en ontving sindsdien een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2013 stelde het UWV haar arbeidsongeschiktheid vast op 60,80% met een resterende verdiencapaciteit van €952,13 per maand. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat haar beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische belastbaarheid niet was overschat en dat de geselecteerde functies binnen haar belastbaarheid vielen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar complexe ziektebeeld niet juist was meegewogen, met verwijzing naar diverse medische rapporten.
De Raad liet een onafhankelijke psychiater rapporteren, die concludeerde dat appellante een posttraumatische stressstoornis heeft met beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat de beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat zijn. De Raad volgde dit oordeel en bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit correct zijn vastgesteld.
De Raad oordeelde dat appellante terecht niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot vaststelling van 60,80% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.