ECLI:NL:CRVB:2018:3332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling
Werknemer was productiemedewerker en meldde zich op 5 maart 2013 ziek met rug- en psychische klachten. Het dienstverband werd per 1 maart 2014 ontbonden. Het UWV kende werknemer per 3 maart 2014 een Ziektewetuitkering toe en verlengde deze na de eerstejaarsbeoordeling ongewijzigd. De werkgever maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank en de Raad bevestigden deze besluiten.
Het UWV kende werknemer ook een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 3 maart 2015, welke tot 2 juni 2016 liep. De werkgever maakte hiertegen geen bezwaar. Bij besluit van 12 maart 2015 stelde het UWV vast dat het recht op ziekengeld eindigde per 3 maart 2015 wegens het bereiken van de maximale wachttijd van 104 weken. De werkgever maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat werknemer niet hersteld was voor het bereiken van de wachttijd. In hoger beroep herhaalde de werkgever haar standpunten, maar de Raad onderschreef de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht ongewijzigd voortzette omdat werknemer minder dan 65% van zijn loon kon verdienen.
De Centrale Raad van Beroep wees het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de werkgever wordt afgewezen en de voortzetting van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.