ECLI:NL:CRVB:2016:5129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging recht op ziekengeld en voortzetting ZW-uitkering wegens onvoldoende verdiencapaciteit
Werknemer was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het dienstverband werd per 1 maart 2014 ontbonden en werknemer werd per 5 maart 2014 ziek gemeld bij het Uwv. Het Uwv stelde bij besluit vast dat werknemer vanaf 3 maart 2014 recht had op een Ziektewet-uitkering (ZW).
Na medisch en arbeidskundig onderzoek werd geconcludeerd dat werknemer minder dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het Uwv verklaarde de bezwaren van de werkgever tegen deze besluiten ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep voerde de werkgever aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en onvoldoende actuele informatie uit de behandelend sector was betrokken, waardoor de beperkingen van werknemer onvoldoende geobjectiveerd zouden zijn. De Centrale Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief lichamelijk en psychisch onderzoek door een verzekeringsarts die beschikte over relevante medische informatie. Ook de arbeidsdeskundige bevestigde de beperkingen.
De Raad concludeerde dat het Uwv op goede gronden had vastgesteld dat werknemer recht had op ziekengeld en minder dan 65% van zijn loon kon verdienen, zodat de ZW-uitkering terecht ongewijzigd werd voortgezet. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de ZW-uitkering wordt terecht ongewijzigd voortgezet.