ECLI:NL:CRVB:2018:3338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing individuele inkomenstoeslag wegens ontbrekende inkomensgegevens over referteperiode
Appellant, die sinds november 2011 bijstand ontvangt, vroeg op grond van de Participatiewet een individuele inkomenstoeslag aan. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat inkomensgegevens over de referteperiode van vijf jaar voorafgaand aan de peildatum ontbraken, waardoor niet kon worden vastgesteld of appellant langdurig een laag inkomen had.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang is en dat hij in bewijsnood verkeert omdat hij niet over de gevraagde inkomensgegevens beschikt. Tevens deed hij een beroep op de hardheidsclausule uit de gemeentelijke verordening.
De Raad oordeelde dat de referteperiode van vijf jaar niet in strijd is met artikel 36 van Pro de Participatiewet en dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij aan de voorwaarden voldoet. Het ontbreken van inkomensgegevens over een deel van de referteperiode leidt tot het niet kunnen vaststellen van het recht op toeslag. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalde omdat appellant geen concrete feiten en omstandigheden had gesteld die onbillijkheden van overwegende aard aantonen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag wordt bevestigd vanwege ontbrekende inkomensgegevens over de referteperiode en het niet slagen van het beroep op de hardheidsclausule.