ECLI:NL:CRVB:2018:3442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van eindafrekening bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet
Appellant was door zijn zorgverzekeraar aangemeld als wanbetaler en werd daardoor vanaf februari 2015 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd. Na afmelding als wanbetaler per 1 februari 2016 stelde het CAK een eindafrekening op waaruit een restantbedrag bleek dat appellant nog moest voldoen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze eindafrekening en het bestreden besluit verklaarde dit bezwaar ongegrond. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat tegen de aan- en afmelding als wanbetaler en de hoogte van de premie geen bezwaar mogelijk is.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank ten onrechte artikel 6:22 Awb Pro had toegepast en dat het opleggen van de premie onrechtmatig was vanwege zijn ziekte. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht het gebrek in het besluit heeft gepasseerd, dat de gronden van appellant niet op het bestreden besluit zien en dat het hoger beroep moet worden afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.