ECLI:NL:CRVB:2018:3449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand voorafgaand aan meldingsdatum
Appellant vroeg bijstand aan met een gewenste ingangsdatum van 25 februari 2016, terwijl hij zich pas op 5 april 2016 meldde. Het college kende bijstand toe vanaf 5 april 2016 en verklaarde bezwaar tegen terugwerkende kracht ongegrond. De rechtbank Oost-Brabant bevestigde dit besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanwege psychische problemen niet in staat was eerder een aanvraag te doen en dat een gesprek met een maatschappelijk werker en bewindvoerder in november 2015 een eerdere aanvraag rechtvaardigde. De Raad oordeelde dat uit de stukken niet bleek dat appellant eerder een aanvraag had ingediend of actie had ondernomen richting het college.
De brief van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige uit februari 2017 was ontoereikend om te concluderen dat appellant voorafgaand aan april 2016 niet in staat was de aanvraag te doen. De bewindvoerder was vanaf januari 2016 benoemd en had moeten nagaan of een eerdere aanvraag was gedaan. Het niet nakomen hiervan lag voor risico van appellant.
De Raad concludeerde dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen en wees het hoger beroep af. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen; bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.