ECLI:NL:CRVB:2018:3470
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld en WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Na medisch en arbeidskundig onderzoek stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het recht op ziekengeld werd beëindigd. Tevens werd vastgesteld dat appellant de wachttijd van 104 weken voor de Wet WIA niet had volbracht, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, omdat informatie van behandelend sector en hulpverleners niet was opgevraagd, en dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld. Ook betwistte hij de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, met dossierstudie en lichamelijk en psychisch onderzoek. De verzekeringsarts had de Functionele Mogelijkhedenlijst aangepast en gemotiveerd dat geen verdere beperkingen nodig waren. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid van functies voldoende onderbouwd.
Daarom werd het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld en WIA-uitkering te beëindigen bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht heeft op ziekengeld en WIA-uitkering.