ECLI:NL:CRVB:2018:3471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Wajong-uitkering wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid op 18-jarige leeftijd
Appellant, geboren in 1978, vroeg op 10 december 2014 een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellant op zijn 18de verjaardag minder dan 25% arbeidsongeschikt was volgens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De rechtbank verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij vanwege gedragsproblemen en crimineel verleden de voorgestelde functies niet kon vervullen en dat het UWV alsnog in proceskosten veroordeeld moest worden. De Raad oordeelde dat de arbeidsdeskundige voldoende had aangetoond dat de functies passend waren bij de beperkingen van appellant rond zijn 17de/18de levensjaar en dat deze functies ook toen op de arbeidsmarkt voorkwamen.
De Raad bevestigde dat appellant geen recht heeft op een Wajong-uitkering omdat het verlies aan verdienvermogen minder dan 25% bedraagt. Wel vernietigde de Raad het vonnis voor zover het UWV niet in de proceskosten werd veroordeeld en legde het UWV een proceskostenvergoeding van €2.004,- en vergoeding van griffierechten op.
Uitkomst: Appellant krijgt geen Wajong-uitkering omdat het verlies aan verdienvermogen minder dan 25% bedraagt; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.