ECLI:NL:CRVB:2018:3475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en toepassing artikel 55 WIA
Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij geen recht had op een uitkering op grond van artikel 55 van Pro de Wet WIA, omdat geen toegenomen arbeidsongeschiktheid was vastgesteld sinds 3 februari 2012. Na een eerdere tussenuitspraak werd het UWV opgedragen dit verzuim te herstellen.
Vervolgens heeft een verzekeringsarts onderzoek gedaan en geconcludeerd dat appellante geen toegenomen beperkingen had ten opzichte van de eerder vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellante leverde aanvullende medische verklaringen aan, maar ook na herbeoordeling bleef het oordeel dat er geen toename van arbeidsongeschiktheid was. De deskundige van de Raad bevestigde dit oordeel na een uitgebreid onderzoek.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante geen rechten kan ontlenen aan artikel 55 WIA Pro, omdat er geen sprake is van toegenomen beperkingen. Het eerdere gebrek in de procedure is daarmee hersteld. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van het UWV wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.