ECLI:NL:CRVB:2018:3495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op herstelverklaring na ziekteperiode
Appellant was commercieel medewerker binnendienst en meldde zich in april 2010 ziek na een val met een distale onderbeenfractuur. Na herstelverklaring in oktober 2010 volgde een nieuwe ziekmelding in december 2010 wegens een operatie aan de linkerenkel. Het UWV stelde in augustus 2012 vast dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard en niet werd bestreden.
In maart 2015 verzocht appellant het UWV terug te komen op het besluit van 2012, met medische stukken als onderbouwing. Het UWV weigerde dit in mei 2015 en verklaarde het bezwaar ongegrond in september 2015, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangetoond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat pas later bleek dat zijn ruggengraat scheef was komen te staan door de val, wat een nieuw feit zou zijn. Hij overhandigde medische stukken van 2010 tot 2015. Het UWV stelde dat deze stukken niet in de beoordeling konden worden betrokken en dat geen nieuwe feiten waren aangetoond. De Raad oordeelde dat het UWV zich terecht en zorgvuldig op dit standpunt heeft gesteld, dat de stukken in hoger beroep niet mogen worden betrokken en dat het besluit niet evident onredelijk is. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het herstelbesluit van 2012 wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.