ECLI:NL:CRVB:2018:3508
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag buitengewoon pensioen wegens onvoldoende bewijs verzetsdeelname
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een buitengewoon pensioen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Wbp), stellende dat hij in de oorlogsjaren via zijn vader betrokken was bij verzetsactiviteiten. De Stichting 1940-1945 voerde een onderzoek uit en gaf negatieve verzetsverklaringen af voor zowel appellant als zijn vader.
Verweerder wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellant of zijn vader tot de verzetsdeelnemers behoorden. Het beroep richtte zich op het ontbreken van bewijs en het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule. De Raad oordeelde dat alleen eigen verklaringen onvoldoende zijn en dat aanvullend bewijs ontbrak.
Het onderzoek van de Stichting 1940-1945 leverde geen getuigenverklaringen of documenten op die de verzetsactiviteiten bevestigen. Ook de door appellant genoemde personen konden geen concrete informatie verstrekken. De Raad volgde het standpunt van verweerder dat niet is aangetoond dat appellant of zijn vader verzetsactiviteiten hebben verricht.
De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat niet voldaan werd aan de basisvoorwaarde van erkenning als verzetsdeelnemer. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat appellant of zijn vader verzetsactiviteiten hebben verricht.