Betrokkene was vanaf 1994 werkzaam als ambtenaar in de havenadministratie en ontving provisiegelden over de verkoop van liggeldkaarten. Na kascontroles in 2014-2015 constateerde het college onregelmatigheden en sprak het een strafontslag uit wegens vermeende toe-eigening van provisiegelden en plichtsverzuim.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het ontslagbesluit, omdat niet was aangetoond dat betrokkene zich onrechtmatig had gedragen. Het college ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat de gemeentelijke herindeling in 1997 de rechten op provisie had gewijzigd en betrokkene hierover had moeten rapporteren.
De Raad oordeelt dat betrokkene na 1997 mocht blijven vertrouwen op de provisie-uitkering, dat er geen plicht bestond om dit te melden, en dat het college onvoldoende bewijs leverde voor wederrechtelijke toe-eigening. Wel was de financiële administratie niet correct gevoerd, maar dat rechtvaardigde geen strafontslag.
Betrokkene krijgt een beperkte schadevergoeding voor gemiste gebruikskosten mobiele telefoon en wettelijke rente over nabetaald salaris, maar geen vergoeding voor immateriële schade wegens aantasting eer en goede naam. Het college wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.