ECLI:NL:CRVB:2018:3556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaars beoordeling met voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant was werkzaam als operator en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geselecteerde functies, waarna de uitkering werd beëindigd.
In bezwaar en beroep werden aanvullende medische beperkingen onderzocht, maar de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat de eerder geselecteerde functies nog steeds passend waren en dat appellant niet meer dan 65% van het maatmaninkomen verdiende. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten over onderschatte beperkingen, maar de Raad onderschreef de eerdere medische en arbeidskundige beoordelingen. De Raad oordeelde dat de beperkingen op de relevante functionele items niet objectief waren onderbouwd en dat de geselecteerde functies geschikt waren.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak waarin geen proceskostenveroordeling was uitgesproken, omdat het UWV pas tijdens de beroepsprocedure een afdoende grondslag gaf. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering is terecht beëindigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.