ECLI:NL:CRVB:2018:3563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget ondanks betwisting handtekening en fraudevermoeden
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding en persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor stelde bij besluit vast dat het pgb ten onrechte was verleend en vorderde het uitbetaalde bedrag terug. Appellante betwistte de aanvraag en handtekening, en stelde dat het zorgkantoor de aanvraag kritischer had moeten beoordelen vanwege haar medische situatie en mogelijke fraude door haar dochter.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de handtekening op het aanvraagformulier niet significant afweek van die op haar identiteitsbewijs en dat de medische situatie onvoldoende onderbouwing bood voor haar stelling dat zij niets van het pgb wist. Ook was er geen aanleiding voor het zorgkantoor om fraude te vermoeden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en verwees naar een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak van wijlen echtgenoot van appellante. De Raad oordeelde dat de gang van zaken niet zodanig afwijkend was dat het zorgkantoor nadere informatie had moeten inwinnen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het persoonsgebonden budget bevestigd.