ECLI:NL:CRVB:2017:3226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens onvoldoende verantwoording
Het Zorgkantoor heeft aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode 31 januari 2013 tot en met 9 oktober 2013. Na onderzoek stelde het Zorgkantoor vast dat een groot deel van het pgb niet verantwoord was en dat er geen zorg was geleverd. Het niet-verantwoorde bedrag werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van de erven ongegrond, stellende dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen. De rechtbank oordeelde dat er geen reden was om de belangen van betrokkene zwaarder te laten wegen dan die van het Zorgkantoor, ondanks de medische situatie van betrokkene en het vermeende frauduleus handelen van zijn dochter.
In hoger beroep voerden de erven aan dat het Zorgkantoor een andere belangenafweging had moeten maken omdat de dochter zonder medeweten van betrokkene het pgb had aangevraagd en opgenomen. De Raad concludeerde echter dat de gronden niet nieuw waren en onderschreef de motivering van de rechtbank. De brief van de staatssecretaris van VWS speelde geen rol bij de toetsing van het besluit.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het pgb wegens onvoldoende verantwoording en wijst het hoger beroep af.