ECLI:NL:CRVB:2018:3565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor passend werk
Appellante was taxichauffeur en meldde zich op 4 juli 2011 ziek. Na afloop van de wachttijd stelde het UWV vast dat zij per 1 juli 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies, waaronder productiemedewerker en machinebediende. Op 1 mei 2014 meldde zij zich opnieuw ziek en werd een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld met aanvullende beperkingen.
Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante met inachtneming van de aangepaste FML nog steeds geschikt was voor de eerder geselecteerde functies. Het UWV besloot daarop dat zij per 6 april 2015 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd door de rechtbank en nu ook door de Centrale Raad van Beroep bevestigd.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' in de Ziektewet wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid, tenzij de verzekerde na het ontvangen van ziekengeld blijvend ongeschikt is voor dat werk en niet in ander werk is hervat. In dat geval geldt de arbeid zoals geconcretiseerd bij de WIA-beoordeling. Appellante was geschikt voor ten minste één van de functies uit de WIA-beoordeling, waardoor zij geen recht meer had op ziekengeld.
Het beroep van appellante dat de functie taxichauffeur als maatgevende arbeid moest gelden, werd verworpen. Ook het verzoek om drie functies te laten selecteren werd afgewezen omdat dit pas aan de orde is indien ongeschiktheid voor de eigen arbeid is vastgesteld. De Raad bevestigt daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld per 6 april 2015 wordt bevestigd als beëindigd.