Uitspraak
16.303 WAO
OVERWEGINGEN
5-jaarstermijn na de intrekking van de WAO-uitkering. Van de in 2003 bij appellante vastgestelde sarcoïdosis is bekend dat dit gewrichtsklachten kan geven, maar geen enthesiopathieën zoals bij fibromyalgie.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was sinds 1996 in aanmerking gekomen voor een WAO-uitkering, maar deze werd in 2001 ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. In 2014 vroeg zij opnieuw een uitkering aan op basis van vermeende toename van arbeidsongeschiktheid sinds 2006. Het UWV weigerde dit omdat de toegenomen beperkingen niet voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere WAO-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad heropende het onderzoek en liet een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend medisch onderzoek doen. Uit dit onderzoek bleek dat de beperkingen in 2001 juist waren vastgesteld en dat de nieuwe aandoeningen zoals diabetes en sarcoïdosis pas na de vijfjaarstermijn na intrekking van de WAO-uitkering zijn ontstaan.
Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens aan die tot een ander oordeel leidden. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berustte, maar dat dit gebrek niet tot benadeling van appellante leidde en dat het besluit met gelijke uitkomst gehandhaafd kon blijven.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: Appellante heeft geen recht op een WAO-uitkering wegens ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.