ECLI:NL:CRVB:2018:3631

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2018
Publicatiedatum
16 november 2018
Zaaknummer
17/295 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Participatiewet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag aanvullende inkomensvoorziening ouderen wegens overschrijding vermogensgrens

Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Participatiewet. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees deze aanvraag af vanwege overschrijding van de vermogensgrens, waarbij het vermogen werd vastgesteld op basis van de waarde van een woning in Turkije.

De woning werd getaxeerd op €23.186,- en na aftrek van schulden resteerde een vermogen van €16.774,53, wat hoger is dan het vrij te laten bedrag van €5.850,-. Appellant voerde aan dat de woning onverkoopbaar was en dat de waarde door koersdalingen van de Turkse Lira was gedaald, maar slaagde er niet in dit met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de term 'beschikken' in de Participatiewet betekent dat de betrokkene feitelijk over het vermogen moet kunnen beschikken om in noodzakelijke kosten te voorzien. Het enkele feit dat de woning te koop stond en een bordje 'te koop' had, volstond niet om de onverkoopbaarheid aan te tonen.

Ook de stelling van waardedaling door koersschommelingen werd verworpen omdat appellant geen concrete feiten of omstandigheden had aangevoerd die een lagere waarde in de te beoordelen periode aannemelijk maakten. De aanvraag werd daarom terecht afgewezen en het hoger beroep slaagde niet.

Uitkomst: De aanvraag voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen is afgewezen wegens overschrijding van de vermogensgrens en onvoldoende bewijs van waardedaling of onverkoopbaarheid van de woning.

Uitspraak

17.295 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 december 2016, 16/3252 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 30 oktober 2018
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: L.V. van Donk
Namens appellant is mr. R. Küçükünal ter zitting verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Bij besluit van 16 april 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 april 2016
(bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag van 18 december 2015 van appellant om
een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen. De grondslag van de besluitvorming is dat appellant in verband met het bezit van een woning in Turkije over een groter dan het vrij te laten vermogen beschikt. De waarde van de woning is op omgerekend € 23.186,- vastgesteld. Na aftrek van de schuld van appellant aan de Svb heeft hij een vermogen van € 16.774,53. Dit bedrag is hoger dan het vrij te laten vermogen van € 5.850,-. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De te beoordelen periode loopt van 18 december 2014 tot en met 16 april 2015
(te beoordelen periode). Op 6 december 2013 heeft appellant verklaard dat de woning tussen de € 20.000,- en € 25.000,- waard is. Op 13 oktober 2014 heeft een lokale makelaar de waarde van de woning in opdracht van de Svb geschat op een bedrag van € 23.186,-. Niet in geschil is dat, uitgaande van die laatste schatting en rekening houdend met de waarde van de woning in Turkije en de schulden van appellant, zijn vermogen in de te beoordelen periode hoger is dan het vrij te laten vermogen.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 23 april 2013 en 3 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086 en ECLI:NL:CRVB:2018:1010) moet, mede gelet op artikel 11 van Pro de PW, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
De beroepsgrond dat de woning sinds november 2014 te koop staat, dat hij een ‘te koop’ bordje heeft geplaatst, maar dat het huis onverkoopbaar is, waardoor hij niet kan beschikken over het vermogen, slaagt niet. Met zijn stelling en foto’s van het bordje “te koop” op de deur van de woning heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de woning onverkoopbaar is. Objectieve en verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat appellant de woning in de te beoordelen periode niet te gelde kon maken om in zijn levensonderhoud te voorzien, ontbreken.
De beroepsgrond dat de waarde van de woning met de koers van twee jaar geleden is geschat en dat door deze koersval gesteld kan worden dat er een waardevermindering is door omrekening van de Turkse Lira naar de Euro, slaagt evenmin. Gelet op de bewijslastverdeling bij deze aanvraag is het aan appellant om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken, dat de waarde in de te beoordelen periode zodanig gedaald was ten opzichte van de waarde die kort voor de aanvraag is geschat en die appellant een jaar voordien ook zelf had aangeduid. Appellant heeft dergelijke feiten en omstandigheden over waardeontwikkeling van de woning, uitgedrukt in euro’s, niet gesteld.
De conclusie moet zijn dat de Svb de aanvraag om een AIO-aanvulling terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) L.V. van Donk (getekend) O.L.H.W.I. Korte
md