ECLI:NL:CRVB:2018:3635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening besluit beëindiging ZW-uitkering wegens gebrek aan nieuwe feiten
Appellant was werkzaam als schoonmaker en meldde zich op 25 maart 2007 ziek. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 22 maart 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant werd geacht drie andere functies te kunnen vervullen. Bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard.
Op 3 april 2012 stelde het UWV vast dat appellant geen recht had op ziekengeld, mede op basis van een verzekeringsartsrapport. Appellant vroeg bij brief van 10 december 2015 herziening van dit besluit, maar het UWV weigerde dit op 14 juni 2016, en verklaarde het bezwaar ongegrond op 19 oktober 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de medische stukken, waaronder een brief van psychiater Balraadsjing van 14 mei 2012, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten. In hoger beroep beoogde appellant dezelfde gronden aan te voeren, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding om het besluit te herzien of om toepassing te geven aan de rechtspraak omtrent duuraanspraken, omdat het tijdvak voor ziekengeld verstreken was.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot weigering van herziening van het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering wordt bevestigd.