ECLI:NL:CRVB:2018:3667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WAO-uitkering wegens werkzaamheden in onderneming
Appellant ontving sinds 2001 een WAO-uitkering met toeslag. Het UWV stelde in 2012 en later onderzoeken in naar werkzaamheden van appellant in een garagebedrijf dat op naam van zijn echtgenote stond. Op grond van deze onderzoeken werd de toeslag met terugwerkende kracht herzien en onverschuldigd betaalde uitkeringen teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de herziening en terugvordering over 2012 en 2013 ongegrond, waarbij zij het standpunt van het UWV steunde dat appellant loonwaardeerbare werkzaamheden had verricht in 2012 en 2013. Appellant ging in hoger beroep tegen dit oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat appellant in 2012 werkzaamheden verrichtte die als inkomsten uit arbeid aangemerkt konden worden. Voor 2013 echter ontbrak voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het UWV dat appellant ook toen werkzaamheden verrichtte. Daarom werd het bestreden besluit voor zover het de beëindiging van de toeslag per 4 januari 2013 en de terugvordering over 2013 betreft vernietigd.
De Raad droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen over de bezwaren tegen de besluiten van 25 augustus 2015 en bepaalde dat tegen dat nieuwe besluit alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Tevens werd het UWV veroordeeld in de kosten van appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de beëindiging toeslag en terugvordering over 2013 betreft en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen.