ECLI:NL:CRVB:2016:630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens werkzaamheden in onderneming echtgenote
Appellant ontving sinds 2001 een WAO-uitkering en toeslag, maar het UWV stelde in 2013 vast dat hij vanaf 2004 werkzaamheden verrichtte in de onderneming van zijn echtgenote. Hierdoor werd de toeslag herzien en werd een bedrag van €65.771,82 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde de bezwaren van appellant ongegrond, oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat er geen dringende reden was om van terugvordering af te zien. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek gebrekkig was en dat familieleden niet waren gehoord, maar deze stellingen werden verworpen.
De Raad bevestigde dat appellant werkzaamheden verrichtte met loonwaarde, dat hij de Nederlandse taal voldoende beheerste en dat hij geen melding had gedaan van zijn werkzaamheden. Het UWV had terecht de uitkering herzien en teruggevorderd. Er waren geen dringende redenen voor kwijtschelding. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering en toeslag bevestigd.