ECLI:NL:CRVB:2018:3733
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het vervallen recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante was werkzaam als kamermeisje en meldde zich ziek met astmatische klachten en bronchitis. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 1 mei 2015 en later vanaf 6 januari 2016 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij voldoende verdiencapaciteit had volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundige rapporten.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen, met name door leerproblematiek en longklachten, waren onderschat. Zij overhandigde rapporten van een verzekeringsarts/medisch adviseur die deze beperkingen benadrukten. De Raad oordeelde echter dat deze rapporten onvoldoende aanleiding gaven om de eerdere medische beoordelingen door het UWV in twijfel te trekken, mede omdat de rapporten gebaseerd waren op dossieronderzoek en niet op actuele observaties.
De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen rekening hadden gehouden met alle klachten en informatie van de behandelend sector. De beperkingen van appellante werden adequaat weergegeven in de FML en de medische rapporten. Ook de arbeidsdeskundige had voldoende geschikte functies geselecteerd die appellante zou kunnen vervullen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken van de rechtbank dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf genoemde data.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 1 mei 2015 en 6 januari 2016.