ECLI:NL:CRVB:2018:3736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen objectiveerbare verslechtering
Appellant, werkzaam als medewerker tuinbouw, ontving sinds 2012 een WW-uitkering en meldde zich in 2013 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde in 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op WIA-uitkering ontstond. Appellant meldde in juni 2015 een verslechtering van zijn gezondheid, maar het UWV concludeerde op basis van een verzekeringsartsrapport dat er geen objectiveerbare verslechtering was ten opzichte van maart 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond en oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische situatie was verslechterd en dat hij een verdere urenbeperking nodig had, maar leverde geen nieuwe medische gegevens ter onderbouwing.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV dat geen sprake is van toegenomen beperkingen of een verdergaande urenbeperking. Het verzoek om benoeming van een medisch deskundige werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en geen objectiveerbare verslechtering.