ECLI:NL:CRVB:2018:624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig medewerker tuinbouw, meldde zich wegens psychische klachten ziek en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant gemiddeld 30 uur per week kan werken en wees de uitkering af wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij verdergaand beperkt is, onder meer door slechte slaaprust en concentratieproblemen, en daarom volledig arbeidsongeschikt zou moeten zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beoordeling, inclusief de Functionele Mogelijkhedenlijst en rapporten van verzekeringsartsen, overtuigend en inzichtelijk was gemotiveerd. De arbeidsdeskundige had passende voorbeeldfuncties geselecteerd die appellant medisch gezien kan verrichten.
De Raad concludeerde dat de overschrijding van het gemiddeld te werken aantal uren slechts enkele minuten betrof en acceptabel was. Omdat appellant geen nieuwe onderbouwing aanvoerde die twijfel kon oproepen over de medische beoordeling, werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.