ECLI:NL:CRVB:2018:3744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel van 25% korting op WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie
Appellante ontving een WW-uitkering en kreeg een maatregel van 25% korting opgelegd wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten in de periode van 13 januari tot en met 9 februari 2016. Het Uwv stelde dat appellante niet aan haar sollicitatieverplichting had voldaan en legde daarom de korting op. Appellante voerde aan dat de beoordelingsperiode onjuist was vastgesteld en dat zij mocht vertrouwen op het werkplan waarin stond dat geen maatregel zou worden opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het Uwv bevoegd was de vierwekenperiodes vast te stellen en dat appellante bekend was met deze periodes. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat het werkplan slechts betrekking had op een eerdere periode en niet op de periode waarin de maatregel werd opgelegd.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Ook werd vastgesteld dat visusklachten geen reden waren om de sollicitatieplicht te verminderen. De Raad bevestigde de korting van 25% en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de korting van 25% op de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie.