ECLI:NL:CRVB:2018:3759
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per datum in geding
Appellant was werkzaam als kwekerijmedewerker en viel in november 2011 uit wegens fysieke klachten, waarna ook psychische klachten ontstonden. Het UWV stelde in december 2014 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees zijn WIA-uitkering af. Na bezwaar en beroep bleef dit oordeel gehandhaafd, mede op basis van medisch onderzoek en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van november 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid van appellant in de geselecteerde functies niet werd overschreden. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat zijn psychische klachten ernstig waren en dat hij geen benutbare arbeidsmogelijkheden had, verwijzend naar rapporten van psychiater Gerssen en andere behandelaars.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen nieuwe medische gegevens waren die het eerdere oordeel konden veranderen. De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en concludeerde dat de FML een juist beeld gaf van de beperkingen en mogelijkheden van appellant per datum in geding (1 oktober 2014). De latere volledige arbeidsongeschiktheid per 23 december 2016 was een nieuwe beoordeling die niet relevant was voor de datum in geding.
Ook de arbeidskundige beoordeling dat appellant de geselecteerde functies kon verrichten werd onderschreven. Het beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant per 1 oktober 2014 niet arbeidsongeschikt genoeg was voor een WIA-uitkering wordt bevestigd.