ECLI:NL:CRVB:2018:377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen bijstand met terugwerkende kracht na beëindiging Ziektewet-uitkering
Appellant ontving een Ziektewet-uitkering die per 14 september 2015 werd beëindigd door het UWV. Appellant diende daarna een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, met ingang van 12 oktober 2015. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag kende bijstand toe vanaf die datum, maar weigerde bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen vanaf de datum van beëindiging van de Ziektewet-uitkering.
Appellant voerde aan dat hij zich tijdig had gemeld voor bijstand en dat bijzondere omstandigheden, zoals het afwachten van een bezwaarprocedure tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering en het ontbreken van een directe waarschuwing over de noodzaak van een onmiddellijke aanvraag, rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend.
De Raad oordeelde dat het recht op bijstand begint op de datum van melding of aanvraag en dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een afwijking van deze hoofdregel rechtvaardigen. Het afwachten van de bezwaarprocedure en het niet nadrukkelijk gewezen worden op een onmiddellijke aanvraag vormen geen bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.