ECLI:NL:CRVB:2018:3862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij bijstandsverlening en proceskostenveroordeling
Appellanten, bestaande uit een moeder en haar minderjarige kinderen, voerden hoger beroep tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam over bijstandsverlening en bijzondere bijstand. Na een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de EU en een nieuw besluit van het college, werd appellante 1 alsnog bijstand verleend over de relevante periode.
Door deze herziening verviel het procesbelang van appellanten 1 tot en met 3, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Voor appellant 4, wiens bijstand was ingetrokken, werd indirect tegemoetgekomen aan zijn bezwaar, waardoor ook zijn hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten die appellanten redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de procedures over de algemene bijstand. Voor de bijzondere bijstand werd geen vergoeding toegekend omdat het college het besluit niet had herzien.
De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 4 december 2018, waarbij het hoger beroep werd afgewezen en het college werd veroordeeld tot kostenvergoedingen.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het college is veroordeeld in proceskosten en griffierechten.