ECLI:NL:CRVB:2018:3922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 december 2018
Publicatiedatum
6 december 2018
Zaaknummer
16/1985 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking belang na toekenning Ziektewet-uitkering

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld van appellante tegen een besluit van het UWV inzake de toekenning van een Ziektewet-uitkering aan werkneemster. Werkneemster was sinds 1 januari 2007 in dienst en meldde zich ziek per 5 februari 2015. Het UWV had aanvankelijk vastgesteld dat zij geen recht had op een Ziektewet-uitkering omdat de ongeschiktheid niet het gevolg was van zwangerschap.

Na een tussenuitspraak van de Raad werd het UWV verplicht een nieuwe beslissing te nemen. Bij het nieuwe besluit van 27 februari 2018 heeft het UWV alsnog erkend dat de ongeschiktheid van werkneemster wel het gevolg is van haar zwangerschap en heeft zij met terugwerkende kracht een Ziektewet-uitkering toegekend. Hierdoor is volledig tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante.

Omdat appellante hierdoor geen belang meer heeft bij het hoger beroep, verklaart de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 december 2018.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV de uitkering alsnog heeft toegekend, waardoor appellante geen belang meer heeft.

Uitspraak

16.1985 ZW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
16 februari 2016, 15/2661 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 december 2018
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 14 februari 2018 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2018:424, gedaan.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2018 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Namens appellante heeft mr. E.J. Oostrik een zienswijze ingestuurd op dit nieuwe besluit.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer van de Raad.
Vervolgens heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van Pro die wet bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak. Volstaan wordt met het volgende.
2. [naam werkneemster] (werkneemster) is sinds 1 januari 2007 in dienst van appellante als secretaresse/boekhoudster. Nadat werkneemster zich met ingang van 5 februari 2015 ziek had gemeld, heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2015 vastgesteld dat werkneemster geen recht heeft een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is in het bestreden besluit van 17 april 2015 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de ongeschiktheid van werkneemster voor haar arbeid geen gevolg is van haar zwangerschap of bevalling.
3. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 27 februari 2018 is werkneemster alsnog met ingang van 5 februari 2015 een ZW-uitkering toegekend en is het bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2015 alsnog gegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld, anders dan in het bestreden besluit, dat de ongeschiktheid van werkneemster wel een gevolg is van haar zwangerschap.
4. Het Uwv is met het besluit van 27 februari 2018 volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante, zodat zij geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep in deze zaak. Het hoger beroep moet om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 503,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2018.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) M.D.F. de Moor
SSa