ECLI:NL:CRVB:2018:424
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende verband met zwangerschap niet zorgvuldig gemotiveerd
Werkneemster was sinds 2007 in dienst als secretaresse/boekhoudster en meldde zich ziek vanaf 5 februari 2015 nadat uit echo-onderzoek bleek dat haar ongeboren kind een open rug en een hartafwijking had. Op 19 februari 2015 vond een abortus provocatus plaats. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering omdat de arbeidsongeschiktheid niet zou zijn veroorzaakt door zwangerschap of bevalling.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, verwijzend naar artikel 29a van de Ziektewet. In hoger beroep stelde appellante dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met de fysieke en mentale gevolgen van de zwangerschapsgerelateerde onderzoeken en de bevindingen daarvan.
De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende had onderzocht in hoeverre de arbeidsongeschiktheid direct verband hield met de zwangerschap en de complicaties daarvan, waaronder de abortus. De verzekeringsartsen hadden werkneemster pas op 10 april 2015 gezien, terwijl zij zich vanaf 5 februari 2015 ziek had gemeld. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet zorgvuldig was voorbereid en gemotiveerd en droeg het UWV op het gebrek binnen zes weken te herstellen.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit tot weigering van de Ziektewetuitkering binnen zes weken te herstellen wegens onvoldoende motivering.