ECLI:NL:CRVB:2018:3950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende psychische beperkingen bevestigd
Appellant was sinds 2009 werkzaam bij een gemeente en meldde zich in 2010 ziek vanwege psychische klachten. Na diverse beoordelingen stelde het Uwv vast dat appellant aanvankelijk recht had op een WGA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid, maar later dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde daarom de WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond, omdat de verzekeringsartsen voldoende hadden gemotiveerd dat er geen aanwijzingen waren voor meer beperkingen dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren opgenomen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische klachten sinds 1991 bestonden en dat de urenbeperking in 2012 niet juist was vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de motivering van het Uwv de wijziging van de arbeidsongeschiktheid voldoende draagkrachtig onderbouwde. Ook werd bevestigd dat de geselecteerde functies passend waren en dat het verzoek tot inschakeling van een deskundige niet nodig was. De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de WIA-uitkering en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende psychische beperkingen.