ECLI:NL:CRVB:2018:4097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens niet langdurig laag inkomen
Appellante verzocht om een individuele inkomenstoeslag, maar het college wees dit af op grond dat zij niet gedurende de gehele referteperiode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 een laag inkomen had. Dit werd onderbouwd met niet gemelde inkomsten uit een nabestaandenpensioen en een terugvordering van bijstand die niet binnen de referteperiode was afgelost.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante ging in hoger beroep. Zij betoogde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat er geen langdurig laag inkomen was en dat er geen beoordeling was gemaakt van haar zicht op inkomensverbetering, mede gelet op haar medische situatie. Tevens deed zij een beroep op de hardheidsclausule.
De Raad stelde dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voldoet en om feiten aan te dragen voor toepassing van de hardheidsclausule. Het college had gemotiveerd dat appellante niet voldeed aan de inkomensnorm en dat de terugvordering niet was afgelost. Hierdoor was een beoordeling van het zicht op inkomensverbetering niet meer aan de orde. Appellante had geen concrete feiten gesteld die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de individuele inkomenstoeslag wegens niet langdurig laag inkomen en onvoldoende grond voor toepassing hardheidsclausule.