ECLI:NL:CRVB:2018:4101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens onvoldoende langdurig laag inkomen
Appellante heeft op 11 mei 2016 een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam is afgewezen op grond van artikel 36 van Pro de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. Het college stelde dat appellante in de referteperiode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 niet langdurig een laag inkomen had, omdat haar inkomen in 2011 en 2012 ruim boven de bijstandsnorm lag.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep voerde appellante aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang is en dat het onredelijk was het inkomen van haar toenmalige partner mee te nemen, mede gelet op haar medische situatie en het ontbreken van een beoordeling van het zicht op inkomensverbetering. Tevens deed zij een beroep op de hardheidsclausule.
De Raad oordeelde dat de referteperiode niet onrechtmatig is en dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voldoet. Omdat uit de inkomensgegevens blijkt dat zij in de referteperiode een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm, was een beoordeling van haar individuele situatie en het zicht op inkomensverbetering niet meer aan de orde. Ook werden geen feiten gesteld die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de individuele inkomenstoeslag bevestigd.