ECLI:NL:CRVB:2018:4104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens ontbreken langdurig laag inkomen
Appellanten dienden op 23 mei 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees deze aanvraag bij besluit van 26 augustus 2016 af, omdat appellanten in de vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 niet continu een laag inkomen hadden. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar op 21 december 2016.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de referteperiode van vijf jaar te lang is en dat het college had moeten beoordelen of er zicht was op inkomensverbetering. Tevens werd een beroep gedaan op de hardheidsclausule in de verordening.
De Raad oordeelde dat de referteperiode niet onrechtmatig is en dat het aan appellanten is om aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voldoen. Aangezien zij niet betwistten dat zij in de referteperiode een hoger inkomen hadden dan de bijstandsnorm, was een beoordeling van het zicht op inkomensverbetering niet aan de orde. Ook werden geen feiten gesteld die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de individuele inkomenstoeslag bevestigd.