ECLI:NL:CRVB:2018:4118

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2018
Publicatiedatum
17 december 2018
Zaaknummer
18/89 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 ParticipatiewetArt. 7 Verordening individuele inkomenstoeslag ParticipatiewetArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering individuele inkomenstoeslag wegens ontbreken langdurig laag inkomen

Appellanten verzochten om een individuele inkomenstoeslag, welke door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam werd afgewezen op grond dat zij niet gedurende de referteperiode van vijf jaar een langdurig laag inkomen hadden. Dit besluit werd door de rechtbank Rotterdam bevestigd.

In hoger beroep stelden appellanten dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom geen sprake was van langdurig laag inkomen en dat er geen beoordeling was gemaakt van hun zicht op inkomensverbetering, mede gelet op de arbeidsmarktpositie en leeftijd. Tevens werd een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

De Raad oordeelde dat het aan appellanten is om aannemelijk te maken dat zij aan de voorwaarden voldoen, waaronder het niet overschrijden van de bijstandsnorm in de referteperiode. Het college heeft gemotiveerd dat appellanten in een deel van de referteperiode een hoger inkomen hadden en een vordering niet volledig hebben terugbetaald. Hierdoor was een beoordeling van het zicht op inkomensverbetering niet meer aan de orde. Ook waren geen feiten gesteld die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de individuele inkomenstoeslag wegens het ontbreken van langdurig laag inkomen.

Uitspraak

18.89 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
24 november 2017, 17/1282 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 13 december 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van
artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 19 september 2011 tot en met 4 december 2011 herzien in verband met niet gemelde inkomsten uit arbeid en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 2.586,76 teruggevorderd.
1.2.
Op 24 mei 2016 hebben appellanten een aanvraag om een individuele inkomenstoeslag ingediend. Bij besluit van 12 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 januari 2017 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 36 van Pro de Participatiewet en de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet [woonplaats] 2016 (Verordening). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellanten niet in de gehele periode van vijf jaar voorafgaand aan 1 januari 2016 (referteperiode) een laag inkomen hebben gehad. Appellanten hebben in de periode 19 september 2011 tot en met 4 december 2011 een hoger inkomen gehad dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Het college heeft tevens, met verwijzing naar de uitspraak van 28 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0479, vastgesteld dat appellanten de op de periode van 19 september 2011 tot en met 4 december 2011 betrekking hebbende vordering van het college niet binnen de referteperiode geheel aan het college hebben terugbetaald.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het college niet heeft gemotiveerd dat geen sprake is van langdurig laag inkomen. Voor zover daarvan moet worden uitgegaan heeft het college verzuimd te beoordelen of, gelet op hun arbeidsmarktpositie en de hoge leeftijd van appellante, sprake is van zicht op inkomensverbetering. Ten slotte hebben appellanten een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 7 van Pro de Verordening.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In zijn uitspraken van 23 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3338 en ECLI:NL:CRVB:2018:3368, heeft de Raad geoordeeld dat het aan betrokkene is om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de vereisten om voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Dit betekent dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat zijn inkomen in de referteperiode niet hoger is geweest dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Ook is het aan de betrokkene om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan het college moet beoordelen of aanleiding bestaat om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de Verordening.
4.2.
Het college heeft in zijn bestreden besluit inzichtelijk gemotiveerd dat appellanten in de referteperiode een hoger inkomen hebben gehad dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm en dat zij de op de periode van 19 september 2011 tot en met 4 december 2011 betrekking hebbende vordering van het college niet binnen de referteperiode geheel aan het college hebben terugbetaald. Nu hieruit volgt dat het college de individuele inkomenstoeslag terecht heeft geweigerd op de grond dat appellanten niet voldoen aan het vereiste van een langdurig laag inkomen, is een beoordeling van de individuele situatie van appellanten met betrekking tot hun zicht op inkomensverbetering dan ook niet meer aan de orde. Vergelijk de uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1825. Appellanten hebben geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat toepassing van de Verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2018.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J.M.M. van Dalen
md