Uitspraak
16.3273 WIA
OVERWEGINGEN
.Het bestreden besluit is gebaseerd op een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep C.G. van der Kooij
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als medewerker customer service en viel uit door vermoeidheids- en rugklachten gerelateerd aan zwangerschap. Na het beëindigen van haar WAZO-uitkering meldde zij zich doorlopend arbeidsongeschikt. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en dat zij geschikt was voor bepaalde administratieve functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen correct waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verklaringen van fysiotherapeuten werden niet als objectief medisch bewijs erkend.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de ziekteperiode doorliep uit hoofdzakelijk dezelfde oorzaak en dat het UWV de wachttijd correct had vastgesteld. Ook bevestigde de Raad de geschiktheid van de geselecteerde functies en de juiste weergave van beperkingen.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige of toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.