ECLI:NL:CRVB:2018:4152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, sinds 2009 arbeidsongeschikt door gehoorproblemen en later visusproblemen, ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na medische en arbeidskundige beoordelingen stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen werden onderschat, met name vanwege visusproblemen die hem afhankelijk maakten van intensieve begeleiding.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de geselecteerde functies passend waren. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere oordelen en voegde toe dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor de noodzaak van intensief toezicht.
De Raad concludeerde dat de beperkingen van appellant adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijsten en dat de arbeidsdeskundigen de geschiktheid van de functies voldoende hadden gemotiveerd. De verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.