ECLI:NL:CRVB:2018:416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.A. Bakker
- A.I. van der Kris
- D. Hardonk-Prins
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onvoldoende onderzoek UWV
Appellant, voormalig beroepsmilitair, diende een laattijdige aanvraag in voor een WIA-uitkering met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 6 april 2005. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast per 21 maart 2012, één jaar voor de aanvraag, en concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering bestond.
De rechtbank bevestigde dit oordeel, ondanks ingediende medische rapporten die ernstige beperkingen stelden. In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen sinds 2003 of 2005 volledig waren en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn medische situatie en de laattijdigheid van de aanvraag niet verwijtbaar was.
De Raad constateert dat het UWV geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het einde van de wachttijd, noch een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) per die datum heeft opgesteld. Hierdoor is het besluit onvoldoende gemotiveerd en berust het op een gebrekkig onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep draagt het UWV op binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, zodat een zorgvuldige en inhoudelijke beoordeling van de aanspraken van appellant kan plaatsvinden.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen vanwege onvoldoende onderzoek naar de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de wachttijd.