ECLI:NL:CRVB:2018:419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget bij verblijf in AWBZ-instelling
Appellant is geïndiceerd voor een zorgzwaartepakket GGZ04C en verblijft sinds 2011 in een AWBZ-instelling. Hij verzocht om omzetting van zorg in natura naar een persoonsgebonden budget (pgb), maar dit werd door het Zorgkantoor geweigerd op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de instelling waar appellant verblijft een toegelaten AWBZ-instelling is, zodat het Zorgkantoor verplicht was het pgb te weigeren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de instelling geen passende zorg leverde en dat bijzondere omstandigheden een afwijking van de dwingendrechtelijke regeling rechtvaardigden.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en voegde toe dat de instelling formeel is toegelaten als AWBZ-instelling. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen, mede omdat appellant zelf heeft gekozen in de instelling te verblijven. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het pgb omdat appellant verblijft in een AWBZ-instelling.