ECLI:NL:CRVB:2018:4215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding medische kosten geplande zorg in Duitsland volgens EU-verordeningen
De zaak betreft het verzoek van appellante, erfgenaam van haar vader die leed aan pancreaskanker, om vergoeding van medische kosten gemaakt in Duitsland voor chemo-embolisatie. Deze behandelingen werden als geplande zorg aangemerkt volgens artikel 20 van Pro Verordening 883/2004. Omdat de zorg buiten het woon- en pensioenland plaatsvond, moest vooraf toestemming worden gevraagd via de in de verordeningen voorgeschreven procedure.
Het CAK wees het verzoek af omdat vooraf geen toestemming was gevraagd en de behandelingen niet onder de wettelijke verzekeringen van België, Duitsland of Nederland vielen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de behandelingen inderdaad geplande zorg waren en dat het ontbreken van voorafgaande toestemming terecht tot afwijzing leidde.
Daarnaast concludeerde de Raad dat de behandelingen niet onder de wettelijke verzekeringen vielen, waardoor zelfs bij voorafgaande toestemming vergoeding niet aan de orde zou zijn geweest. Ook de Patiëntenrichtlijn en artikel 56 VWEU Pro boden geen grond voor vergoeding. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het CAK tot afwijzing van vergoeding van medische kosten voor geplande zorg in Duitsland wordt bevestigd.