ECLI:NL:CRVB:2018:4217
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen gezamenlijke huishouding wegens ontbreken wederzijdse zorg
In deze zaak stond centraal de vraag of tussen appellante en haar inwoner sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode van 1 februari 2015 tot en met 26 maart 2015. Het college had dit aangenomen, wat gevolgen had voor de sociale zekerheidspositie van appellante.
De Raad heeft overwogen dat uit de stukken en de mondelinge behandeling bleek dat appellante wel zorg verleende aan haar inwoner, maar dat deze zorg niet wederzijds was. De inwoner had slechts een beperkte tegenprestatie geleverd, namelijk het eenmalig lenen van zijn auto aan appellante. Dit is onvoldoende om van wederzijdse zorg te spreken.
Daarmee heeft het college de vereiste wederzijdse zorg niet aannemelijk gemaakt en kan er geen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding. De Raad heeft daarom het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens is het college veroordeeld in de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd wegens ontbreken van wederzijdse zorg en daarmee geen gezamenlijke huishouding.