ECLI:NL:CRVB:2018:4227
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op gelijkheidsbeginsel bij persoonsgebonden budget in overgangsrecht Wlz
Appellante was onder de AWBZ geïndiceerd voor zorgzwaartepakket LG 04 en ontving na overgang naar de Wlz een persoonsgebonden budget (pgb) met een toeslag voor niet-instellingverblijf. Zij verzocht om verhoging van dit pgb, wat door het zorgkantoor werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij onterecht een lagere toeslag ontvangt dan een andere groep verzekerden die onder artikel 5.13, vijfde lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) vallen en die een hogere toeslag krijgen vanwege een overgangsregeling voor huishoudelijke hulp. De Raad beoordeelde dat de groep verzekerden die onder deze overgangsregeling valt, bestaat uit personen die onder de AWBZ extramurale zorg ontvingen maar nog niet definitief waren toegelaten tot de Wlz-zorg.
De Raad oordeelde dat appellante niet tot deze groep behoort en dat het onderscheid in toeslagen objectief en redelijk gerechtvaardigd is vanwege het overgangsrechtelijke karakter van de regeling. Er is geen sprake van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen en het hoger beroep ongegrond verklaard.