ECLI:NL:CRVB:2018:4231

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2018
Publicatiedatum
2 januari 2019
Zaaknummer
17/3606 WIA-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep wijst IVA-uitkering toe wegens onvoldoende motivering UWV

Appellant, voormalig monteur autobanden, is sinds 2008 arbeidsongeschikt na een bedrijfsongeval. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2015 meldde appellant een verslechtering van zijn gezondheid, maar het UWV besloot de WIA-uitkering ongewijzigd voort te zetten. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV niet heeft voldaan aan de vereiste motivering omtrent de inschatting van de arbeidsmogelijkheden van appellant in het eerste jaar na de herbeoordeling. Hoewel het UWV erkende dat er geen medische behandelmogelijkheden zijn voor de afwijkingen aan de rechterhand, stelde zij dat psychologische behandeling de fysieke belastbaarheid zou kunnen verbeteren. Deze stelling werd niet concreet onderbouwd.

De Raad constateert dat de arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet geschikt is voor maatgevende arbeid en dat de functies uit de voorselectie te belastend zijn. De enkele verwijzing naar mogelijke verbetering zonder medische onderbouwing is onvoldoende. Het UWV bevestigde ter zitting dat een deugdelijke motivering niet te verwachten is, waardoor de Raad zelf in de zaak voorziet.

Het besluit van 3 juni 2015 wordt herroepen en vastgesteld dat appellant vanaf 27 mei 2015 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Appellant heeft recht op een IVA-uitkering vanaf 27 mei 2015 wegens onvoldoende motivering van het UWV.

Uitspraak

17.3606 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 maart 2017, 15/7423 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[belanghebbende] te [woonplaats 2] (belanghebbende)
Datum uitspraak: 13 december 2018
Zitting hebben: J.S. van der Kolk, R.B. Kleiss, S. Wijna
Griffier: J.R. Trox
Ter zitting zijn verschenen: appellant, bijgestaan door I.M.H. Merks-Metz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder. Voor belanghebbende zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. S.G. Azimullah en dr. H. Hlobil.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 5 november 2015;
- herroept het besluit van 3 juni 2015;
- stelt vast dat appellant met ingang van 27 mei 2015 recht heeft op een IVA-uitkering en
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.006,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1.1.
Appellant is werkzaam geweest als monteur autobanden in dienst van belanghebbende voor 38,33 uur per week. Appellant is in 2008 uitgevallen wegens handletsel na een bedrijfsongeval op 29 april 2008. In het kader van zijn re-integratie heeft appellant gewerkt als baliemedewerker en sinds juli 2010 als assistent service manager in een filiaal van belanghebbende. Appellant heeft zijn werkzaamheden niet structureel hervat met een loonwaarde van tenminste 65% van het oude loon.
1.2.
Bij besluit van 25 maart 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per
8 december 2010 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. Thans ontvangt appellant een WGA-loonaanvullingsuitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3.
Appellant heeft zich op 14 maart 2015 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per
1 februari 2015 wegens verslechtering van zijn gezondheid waardoor hij minder is gaan werken. Het Uwv heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek in een besluit van 3 juni 2015 bepaald dat de WIA-uitkering met ingang van 27 mei 2015 ongewijzigd wordt voortgezet omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet is gewijzigd en nog steeds 100% is. Bij besluit van 5 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 november 2015, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2015 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd 100% bedraagt. Er is volgens het Uwv geen medische reden om duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen aan te nemen. Het Uwv heeft gezien de beperkingen geen arbeidsmogelijkheden kunnen duiden. Er is geen sprake van een volledige én duurzame arbeidsongeschiktheid.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3.1.
Het Uwv heeft erkend dat er voor de afwijkingen van appellant aan de rechterhand in medische zin geen behandelmogelijkheden meer zijn, maar heeft gesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van mening is dat een psychologische behandeling niet alleen kan leiden tot een betere psychische gesteldheid, maar ook tot een betere fysieke gesteldheid waardoor verbetering van de belastbaarheid van appellant kan optreden.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896) dient bij een beoordeling als hier aan de orde in eerste instantie een inschatting van de mogelijkheden van appellant te worden gemaakt over het eerste jaar na de datum van herbeoordeling, dus het jaar na 27 mei 2015. Daaraan heeft het Uwv niet voldaan. Het Uwv heeft op geen enkele wijze de inschatting aannemelijk en concreet gemaakt dat de arbeidsmogelijkheden van appellant met behandeling reeds in het eerste jaar na herbeoordeling zouden toenemen. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 2 juni 2015 te kennen gegeven dat appellant nog steeds niet geschikt is voor de maatgevende arbeid, zoals eerder verwoord is in het arbeidskundige rapport van
14 maart 2011. De functies uit de voorselectie van het CBBS waren volgens de arbeidsdeskundige alle te belastend. Overschrijdingen van de belastbaarheid hadden, zo blijkt uit het rapport, met name te maken met hoge mate van hand- en vingerbelasting, de opleidingseis en het hoog repetitief karakter van het werk. Er is daarom geen theoretische verdiencapaciteit aanwezig. De conclusie van de arbeidsdeskundige dat de combinatie van deze aspecten maakt dat geen theoretische functies geselecteerd kunnen worden is sinds de WIA-beoordeling per 8 december 2010 onveranderd gebleven. De enkele verwijzing naar de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep te verwachten verbetering van de belastbaarheid op persoonlijk en sociaal vlak zonder ondersteunende medische stukken en zonder enige concretisering over de verbetering van de fysieke belastbaarheid kan niet als een voldoende motivering gelden.
3.2.
Zoals door het Uwv ter zitting is bevestigd, betekent het voorgaande dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert, zodat dit besluit, onder gegrondverklaring van het beroep daartegen, moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eveneens is ter zitting door het Uwv bevestigd dat in redelijkheid niet te verwachten is dat het Uwv er alsnog in zal slagen om de weigering appellant een IVA-uitkering toe te kennen van een draagkrachtige motivering te voorzien. Daarin wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 3 juni 2015 te herroepen, te bepalen dat appellant met ingang van 27 mei 2015 recht heeft op een IVA-uitkering en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.
4. Het Uwv wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in bezwaar tot een bedrag van € 1.002,-, in beroep tot een bedrag van € 1.002,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.002,-, in totaal € 3.006,-.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.R. Trox (getekend) J.S. van der Kolk

RB