Appellant, bekend met een verstandelijke beperking, had een indicatie voor zorgfuncties onder de AWBZ en later de Wet langdurige zorg (Wlz). Hij verzocht om de ingangsdatum van zijn indicatie te vervroegen naar 1 januari 2015, terwijl het indicatiebesluit pas op 14 december 2015 werd genomen. Het CIZ wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van het CIZ ongegrond, omdat appellant niet voldeed aan de uitzonderingen in de Beleidsregels indicatiestelling Wlz die een eerdere ingangsdatum dan het indicatiebesluit mogelijk maken. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel aan twee van de drie uitzonderingen voldeed, onder meer omdat hij al eerder zorg ontving en vanwege onjuiste voorlichting.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan de cumulatieve voorwaarden voor de uitzonderingen, met name omdat de aanvraag geen voortzetting van een gelijkwaardig indicatiebesluit betrof. Ook was niet gebleken dat CIZ onjuiste informatie had verstrekt of dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.